
Spel en Kout (3): Elite of ontmoetingsplek?
Column VeelstromenlandIk had nooit gedacht dat ik van een geheim genootschap als de Sociëteit toch zoveel aan de weet zou komen. Geen enkel lid van Spel en Kout behoorde tot mijn vrienden, behalve, in zekere zin, mijn huisarts Wasmann. Ik noemde hem altijd eerbiedig “dokter”. “Bij ons thuis waren ze allemaal dokter”, zei hij eens droog, “toen ben ik ook maar dokter geworden.”
Hij was het die mij het bestaan van de Sociëteit Spel en Kout onthulde. Maar meer ook niet. Wat er besproken of gevierd werd, bleef binnen de muren. Tot de tijd kwam dat openheid mode werd en de afstand tussen mensen en heeren begon te vervagen. Toen vertelde de dokter - hij heette Frans - mij voor het eerst een soosverhaal, in zijn onnavolgbare stijl: “Nou, we zaten daar, en ze hadden het maar over …Frans. Ik denk: Frans? Ik denk, godverdomme, Frans, ze hebben het over mij.” (Johan van Os, 1988).
Wie de historische ledenlijsten doorbladert, ziet bekende namen: burgemeesters, notarissen, fabrikanten, winkeliers. Mannen met positie. Was Spel en Kout dus een eliteclub? Ja en nee.
Lid werd je op voordracht. Je mocht niet uit Wijchen komen. En je moest passen binnen de mores van de sociëteit. Dat gaf status, maar ook verantwoordelijkheid. De mannen die er biljartten en kegelden, zaten vaak óók in de gemeenteraad, het kerkbestuur of het waterschap. Aan de leestafel ging het over infrastructuur, armenzorg en belastingen. Niet met stembriefjes, maar met argumenten.
Misschien lag dáár de betekenis van Spel en Kout: geen besloten bastion, maar smeerolie van het dorp. Een plek waar verschillen werden gladgestreken vóór ze in de raadszaal botsten.
Met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart in zicht is dat een actuele gedachte. Democratie draait niet alleen om standpunten, maar om verhoudingen. Om elkaar kennen. Elkaar iets gunnen.
Was het een eliteclub? Ongetwijfeld. Maar ook een ontmoetingsplek. Een beetje spel. Een beetje kout. En soms verrassend veel bestuur.
Door Peter Fontijn



