
Wekelijkse serie over de herdenking van de watersnoodramp van 1926 (9).
Na de vloed volgt het ijs
Op 11 januari 1926 was het water in het ondergelopen Land van Maas en Waal aan het zakken. Er stroomde meer water weg door de gaten die gemaakt waren in de Maasdijk tussen Dreumel en Alphen, dan er in het doorbraak-gat bij Overasselt binnenstroomde. Toen trad de vorst in en begon het te sneeuwen. Na de vloed volgde nu het ijs.
Het Land van Maas en Waal was sinds de dijkdoorbraak op 31 december vrijwel onbegaanbaar. De wegen stonden (ver) onder water, ook over de dijken was vervoer nauwelijks mogelijk. In het lager gelegen deel (Maasbommel, Alphen, Dreumel, Wamel) waren de meeste inwoners gevlucht. De achterblijvers woonden op zolder, geïsoleerd door het water. Veelal mannen, die gebleven waren om het vee te verzorgen. Matrozen voorzagen ze met bootjes van voedsel en brandstof. Dat werd nu door de ijsschotsen onmogelijk.
Geprobeerd werd om deze mensen over het ijs te bereiken met ladders die als sledes dienden. Een gevaarlijke klus. De eerste dagen omdat het ijs nog onvoldoende droeg en daarna omdat het water eronder zakte. De vloedgolf van de eerste helft van januari had al honderden huizen verwoest. De vorst richtte nu nog meer schade aan. Daarnaast vroren vele fruitbomen in boomgaarden en kwekerijen kapot. De vorst hield zo’n tien dagen aan.
Zie ook: www.watersnood26.nl