Afbeelding
Foto: Peter Fontijn

De zee valt

Column Veelstromenland

De zee valt, de zee daalt en brandend rijst de zon omhoog…

Om half zeven zit ik met mijn eerste kop koffie in de achtertuin. De wondermooie zinnen van ‘De Waterdrager’ van Lennaert Nijgh kabbelen zachtjes op de achtergrond en mijn blik valt op de vijver achter het huis, het voormalige tichelgat van Dericks en Geldens.

Het water staat haast angstaanjagend laag. Zo laag heb ik het hier nog nooit gezien. De bevers die zich vorig jaar in Tichellande vestigden, lijken inmiddels vertrokken. Zwanen en ganzen hebben de ondieptes verlaten. En de jeugd? Die kan de vis bijna zonder hengel oprapen, zoals nu ook de reiger en de meeuwen doen.
Geen wetenschappelijk meetstation, maar wel mijn eigen achtertuin als waarnemingspost. En de cijfers liegen er evenmin om.

Door de aanhoudend lage waterstanden ondervinden de rivieren hinder van de droogte. Na het historische minimum van 6,10 meter boven NAP op 17 augustus 2026, bedroeg de afvoer van de Rijn bij Lobith een maand later ongeveer 700 m³ per seconde. Dat lijkt veel, totdat je bedenkt dat zo’n twee derde van het Rijnwater uit Zwitserland komt. Bij Maxau werd half september slechts 410 m³ gemeten; daarna zakte dat verder naar ongeveer 380 m³. De regen die in de noordelijke stroomgebieden viel, gaf bij Lobith slechts tijdelijk verlichting. Daarna zette de daling opnieuw in. En dus kijk ik nog eens naar het tichelgat. Naar het slik. Naar de uitgedunde fauna. Naar het water dat steeds verder terugwijkt. Is dit gewoon een droge periode? Een grilligheid van de natuur, zoals die er altijd is geweest?

Of kijken we hier, heel klein en heel lokaal, naar iets waar de Club van Rome ons al meer dan een halve eeuw geleden voor waarschuwde? Het woord ‘consuminderen’ werd in 1997 in de Dikke Van Dale opgenomen. Ik slik m’n laatste slokje koffie door.

Het water zakt verder.

En de zon klimt hoger.

Misschien dat hij ’t redt, vandaag.

Door Peter Fontijn